Muntslag in Nijmegen en de tolheffingen.

Plaats hier berichten over munten in het algemeen. Bijvoorbeeld over fabricage, literatuur, levensduur, materialen, etc.
Gebruikersavatar
maarten89 Nederland
Moderator
Moderator
Berichten: 1578
Lid geworden op: 11 aug 2009, 20:05

Muntslag in Nijmegen en de tolheffingen.

Bericht door maarten89 » 26 mei 2011, 23:18

Ik kwam dit vandaag weer eens tegen. En wou het graag met jullie delen. Het is 1 van de 5 hoofdstukken van mijn profielwerkstuk op de HAVO. Ik had hier natuurlijk ruime voldoende voor greeny

´De hoofdvraag voor ons onderzoek is: Hoe ontwikkelde het middeleeuwse Nijmegen zich in de periode 1300-1500 ?

Om die vraag te kunnen beantwoorden, splitsen we de hoofdvraag in de volgende deelvragen:
1.Welke groei maakte Nijmegen door in de Middeleeuwen en wat waren de oorzaken daarvan?
2.Welke mensen vestigden zich in Nijmegen en waarmee verdienden ze een inkomen?
3.Hoe waren de levensomstandigheden in Nijmegen op het gebied van gezondheidszorg en wonen en welke ontwikkelingen zijn daarin te ontdekken?
4.Hoe zat het bestuur van het laat-Middeleeuwse Nijmegen in elkaar?
5.Hoe ontwikkelde zich het geldverkeer in Nijmegen?
´
En over laatste hoofdstuk wil ik hier publiceren.
5 De rol van het geld en de heffing van tol in Nijmegen en omgeving
5.1 Het slaan van munten in Nijmegen en de ontwikkeling daarvan
5.2 Geldwaarde en Inflatie
5.3 Het heffen van tol.

5 De rol van het geld en de heffing van tol in Nijmegen en omgeving

5.1 Het slaan van munten in Nijmegen en de ontwikkeling daarvan

Nijmegen is één van de oudste steden in Nederland en ook één van de eerste Nederlandse plaatsen waar munten werden geslagen. De vroegste muntslag is te dateren zo rond 600. Er werden toen munten geslagen in opdracht van de Merovingische vorsten. In de loop van de middeleeuwen viel de stad Nijmegen onder het gezag van de Duitse keizer.
Het slaan van munten was een koninklijk recht wat alleen door de keizer kon worden toegezegd aan een stad. Rond 1200 was het normaal dat de munten werden geslagen van zilver of brons. Goud kwam in deze tijd nog niet veel voor. Dit kwam omdat het simpelweg een heel erg zeldzaam produkt was. Rond 1400 kwam het goud meer in de mode omdat het meer waarde hield. Hier komen we later nog op terug.
Het zilver en het brons werd vaak buit gemaakt op rooftochten en oorlogsbuiten. Dit zilver en brons werd dan vaak omgesmolten en vermengd met andere metalen om het gehalte zilver naar beneden te brengen.Dit was goedkoper en kon je meer winst maken. Maar in Nijmegen lukt dit niet helemaal. De Nijmeegse muntslag was voor 1200 beperkt. Karel de Grote (omstreeks 800) heeft maar weinig munten laten slaan in Nijmegen omdat de afzetmarkt te klein was. De handel stelde toen in deze streken weinig voor.
De meeste munten werden geslagen voor de hele regio rond Nijmegen. Veel munten uit Nijmegen kwam je in de hele regio rond Nijmegen echter niet tegen. De meeste munten kwamen in de periode voor 1200 uit Arnhem en Keulen.
De munten die werden geslagen in rond 1200 noemen we zilveren penningen.

Afbeelding
Denier z.j. Nijmegen
Frederik I Barbarossa (1152-1190)
Voorzijde: gekroond borstbeeld en face met kruisscepter en palmtak geen omschrift.
Keerzijde: kruis met letterreeks als omschrift

In de twaalfde eeuw veranderde situatie. Toen werden er meer munten in Nijmegen geslagen. Dit kwam omdat de economie ook aantrok. Er werd meer handel gedreven in Nijmegen. De stad groeide in aantallen inwoners en er vestigden zich meer handelaren en kooplieden. Er moest worden betaald voor goederen en daarvoor had je geld nodig. Omdat de vraag naar munten groter werd en de omvang de interregionale omloop geleidelijk toenam werden er meer munten geslagen, vooral lichtere penningen.
In 1247 werd de Nijmeegse palts door de graaf van Gelre (Gelderland) veroverd. Deze had grote bezwaren tegen de eigen stedelijke muntslag van Nijmegen. Hij wilde dit niet omdat er altijd onenigheid was over hoeveel van de inkomsten van de opbrengst van de muntslag afgedragen moest worden aan de graaf. De stad wilde veel van die inkomsten zelf houden. De graaf ging vaak een een klacht indienen bij de keizer. Maar Nijmegen beriep zich in geval van klachten echter op hetzelfde privilege als de stad Aken. Dit voorrecht hield in dat je als stad het recht had om munten te mogen slaan. Dit privilege hadden de beide steden Aken en Nijmegen in het verleden van de Duitse keizer ontvangen. Nijmegen had dit gekregen van de keizer van het Duitse Rijk.
De graaf van Gelderland kon dit privileges niet helemaal ontkennen maar erg duidelijk waren de rechten nou ook weer niet omschreven in dat document, zodat de opbrengsten van de muntslag van Nijmegen altijd meningsverschillen opleverde met soms hevig ruzies tussen de stad en de graaf. In 1561 wordt de stad Nijmegen zelfs gedagvaard door de Duitse keizer zelf (Ferdinand) om het muntslagrecht te bewijzen. De briefwisseling en uitzoekerij die hierop volgde had uiteindelijk tot gevolg dat de Duitse keizer (inmiddels keizer Maximiliaan) Nijmegen tegemoetkwam. De stad mocht munten blijven slaan maar nu volgens de wetten van het Duitse rijk. Nijmegen kon nu ook eigen munten slaan maar nu echt op naam van de stad. Dus echte stedelijke munten. De inkomsten die de muntslag opleverden gingen nu naar de stad zelf in plaats van naar de graaf van Gelderland.

5.2 Geldwaarde en inflatie.

In loop van de 14de eeuw kwam er een tekort aan munten. Er werden wel meer munten geslagen maar nog steeds bleef er een tekort. Doordat er tekort was ging het gehalte van zilver steeds meer naar beneden. Er waren niet genoeg winsten om het zilver in te kopen. Dit had als gevolg dat de munt lichter werd en dus minder waard werd. We noemen dit geldontwaarding of inflatie. De verleiding was nu groot om valse munten in omloop te brengen. Dit kwam doordat mensen zagen dat er tekort was en hierop wilden inspelen. Ze mengden daarom zilver met lood of tin. Hierdoor kreeg de munt een beetje een andere kleur, maar in de meeste gevallen viel dit niet op. Het viel niet op omdat niet alleen de munten in Nijmegen werden geslagen maar daarbuiten. Elk gebied had weer andere munten en een andere eenheid. Zo kon je ook met munten uit Zeeland of Holland in Nijmegen betalen. Zelfs Duitse munten waren in omloop. Dit kwam omdat met deze gebieden veel handel werd gedreven. Omdat valsemunterij te voorkomen werden er steeds grotere en zwaardere munten geslagen van zilver. Het zilver werd op steeds meer plekken in Europa gevonden.
Maar ook met puur zilveren munten werden de kooplieden bedrogen.
Omdat de stad zelf de waarde bepaalde van de munten, werden op den duur gewoon stukjes afgesneden of geslepen. Deze stukjes zilver werden bewaard tot men een behoorlijke hoeveelheid had. Dat werd vervolgens weer omgesmolten tot nieuwe munten. Deze praktijken kwamen in heel het gebied van de Lage Landen voor. De term geldsnoeier was geboren.

Dat snoeien van munten was niet de enige oorzaak van geldontwaarding. De waarde van de munten hing af van de prijs van het zilver. Het edelmetaal zilver daalde in waarde zodra er meer werd gevonden in de mijnen. Door de toename van de hoeveelheid zilver (vooral uit de Spaanse kolonien in Zuid-Amerika) daalde de waarde van dit edelmetaal.
Ook de muntmeester, die zelf de munten sloeg, droeg een steentje bij aan de geldontwaarding. Hij kocht het zilver in en smolt het om. Omdat hij vaak een ander metaal erbij deed hield hij meer zilver over. Hierdoor kon hij meer munten verkopen.
Omdat zilver niet meer zijn vaste waarde hield is men in de 14de eeuw steeds meer overgestapt op goud.
Omdat munten na een tijd versleten, moesten er steeds weer nieuwe komen. De munten moesten worden ingeruild en men kreeg nieuwe munten ervoor terug. Vaak kreeg je veel minder terug dan er was ingeleverd. Het verschil moest aan de graaf van het gebied worden overgedragen als een soort extra inruilbelasting.

5.3 Het heffen van tol

Toen Nijmegen in 1230 stadsrechten kreeg betekende dit niet alleen dat ze nieuwe burgers op mochten nemen, maar ook dat ze recht hadden op tolvrijdom voor hun handelaren en kooplieden. Dat gold voor een heel groot gebied. Dit was natuurlijk erg belangrijk voor de handel en scheepvaart. Die hadden veel met tol te maken.
Tolbetaling was voor de kooplieden en handelaren die van de vaarwegen en landwegen duur. De produkten werden daardoor duurder. Nijmeegse kooplieden hadden te maken met tollen die werden geheven als zij langs bepaalde plaatsen passeerden met schepen, paarden of karren. Andere tollen die moesten worden betaald waren bij het aanvoeren van goederen op de markten en je had ook tollen die voor bescherming als die noodzakelijk was (in streken waar het gevaarlijk was, roofridders, bandieten).
Om het recht van het heffen van tol te krijgen moest men eerst toestemming hebben van de koning of keizer. Nijmegen had dit dan ook gekregen in 1230. De tol behoorde aanvankelijk dus tot het koninklijke voorrecht, maar in de 11de eeuw, met de langzame groei van de handel, begonnen allerlei heren (hertogen, graven en andere belangrijke personen) tol te heffen omdat ze daarmee flink geld konden verdienen. Die extra inkomsten kon men weer gebruiken voor de oorlogsvoering om hun gebieden te verdedigen en uit te breiden. Dat is tegenwoordig erg duur (denk aan Amerika in Irak) maar vroeger was het al net zo. Rond 1300 was 70% van de inkomsten van de graaf van Gelre afkomstig uit tolheffingen. De tol die men moest betalen was afhankelijk van het gewicht van het product (dit werd uitgedrukt in ponden), het aantal of volume wat er in een schip of kar zat.
Midden 12de eeuw had Nijmegen het meeste te maken met de grote rijkstol van Tiel, maar ook verder stroomopwaarts waren tollen zoals die bij Koblenz en Mainz. In Nijmegen zelf werd in de 12de eeuw een riviertol gevestigd. De Nijmegenaren zelf waren hier van vrijgesteld tenminste het om eigen goederen ging.
In de Nijmeegse regio kwamen steeds meer tollen, zo kwam er onder andere tolheffing bij Arnhem, Bommel, Zuilichem, Driel en Huissen. In loop van de 12de eeuw en 13de eeuw ontstonden er zoveel riviertollen langs de Waal, Rijn en de Maas dat de kosten voor schippers en kooplieden die geen tolvrijstelling hadden superhoog waren. Als gevolg van de vele riviertolheffingen gaven de kooplieden uit Vlaanderen er de voorkeur aan om hun producten of goederen maar via de landwegen aan te voeren. Hier moesten ze natuurlijk landtol betalen. De verschuiving van de handel van de rivieren naar de handelswegen, die al in de 12de eeuw begon, werd ook bevorderd en makkelijker door de uitvinding van een nieuw soort vierwielige karren. Ze konden meer produkten ineens vervoeren. Dat bespaarde op de kosten van de vervoerders. Doordat er steeds meer kooplieden niet meer per boot maar met wagen vervoerden, werd in 1270 een soort vergadering gehouden waar de graven van Brabant, Gelre, Kleef en Keulen overlegden over de tol langs de Rijn. De toltarieven gingen naar beneden. Zo hoopten ze dat er meer handelaren van de rivier gebruik zouden maken.

Voor de Nijmegenaren was er geen beginnen aan om te handelen als ze geen tolvrijheid of korting zouden krijgen op de belangrijke grote rivieren. In 1357 kregen de Nijmegenaren het recht om in heel het Duitse rijk om vrij en ongehinderd handelsverkeer over land en zee uit te voeren. Dit hield dus in dat ze tolvrijheid kregen in heel het rijk waar ze toen toebehoorden.
Ze moesten voor dit recht flink betalen, maar ze kregen er wel iets voor terug. De burgers in Nijmegen hadden in de 14de eeuw tolvrijheid in Holland, Zeeland, Friesland, langs de IJsel, langs de Rijn en langs de Waal. Ze moesten alleen nog voor de Brabantse en sommige Gelderlandse tollen betalen. In 1371 mochten alle burgers van Nijmegen goederen de stad invoeren of uitvoeren over de rivier de Waal, zonder hier voor te betalen. In 1381 kregen ze ook vrijdom voor de landtollen.
Een bijzonder voorrecht van de Nijmegenaren was dat ze tolvrijheid op de Maas kregen. Ze kregen dit in 1378 van de bisschop van Luik. Hierdoor hoefden ze tot diep in Frankrijk geen tol meer te betalen, want ze hadden al tolvrijheid tussen Gorinchem en Luik. Ze passeerden als ze naar Frankrijk ging via de Maas maar liefst 11 tollen en die kwamen nu te vervallen.
Uiteindelijk slaagde Nijmegen erin de Nijmeegse riviertol zelf in handen te krijgen, eerder was dit in handen van de hertog van Gelre. Deze verpandde het in 1498 aan Nijmegen.

5.4 Conclusie

In de vroege Middeleeuwen was ruilhandel heel gewoon. Het gebruik van geld was na het vertrek bijna helemaal verdwenen. Toch was er nog in 600 een muntslag in Nijmegen. Maar behalve enkele munten uit ongeveer 800 horen er daarna weinig over. Dat werd rond 1200 anders. De handel nam toe en daarmee ook de behoefte aan geld. De keizer van het Duitse rijk verleende de stad het muntrecht. De stad werd daar niet slechter van en kreeg daaruit ook inkomsten. Daardoor ontstond ruzie met de graaf van Gelre - hij veroverde Nijmegen in 1247 - die het geld ook wel kon gebruiken. In 1561 kreeg Nijmegen het recht om de extra inkomsten voor de stad zelf te houden. Daarmee werd de stad echt zelfstandig.
De munten werden eerst van zuivere edelmetalen gemaakt, maar later werden ze illegaal vermengd met minder kostbare metalen als tin en lood. Maar de zilverprijs zakte ook. Dat veroorzaakte samen inflatie. Ook werd er gesjoemeld met de zilveren munten, b.v. door het geld te snoeien. In de 14de eeuw ging men steeds meer over op goud.
Nijmegen kreeg ook steeds meer inkomsten uit tolheffing. De ligging aan de rivier de Waal met zijn drukke scheepvaart, legde de stad geen windeieren. Nijmeegse kooplieden en handelaren kregen, omdat de stad een streepje voor had bij de keizer en de graaf van Gelre, steeds meer tolvrijheid. Daardoor werd de handel nog meer bevorderd. In 1498 werd het recht op tolheffing op de Maas door de hertog van Gelre verpand aan de stad. Het zorgde er voor dat de handel nog sterker groeide en de stad welvarender werd.
Spaart: Duiten ( in het bijzonder Gelderland) en wereld munten in het bijzonder Sri Lanka en Zwitserland

Gebruikersavatar
maarten89 Nederland
Moderator
Moderator
Berichten: 1578
Lid geworden op: 11 aug 2009, 20:05

Re: Muntslag in Nijmegen en de tolheffingen.

Bericht door maarten89 » 26 mei 2011, 23:19

Bronnen:

Jansen, H.P.H. Geschiedenis van de Middeleeuwen, Utrecht 1978

de Boer, D.E.H.(red) Middeleeuwen, Groningen 1995

Jappe Alberts, W. De middeleeuwse stad, Haarlem 1965

Kuys, J e.a., Nijmegen, geschiedenis van de oudste stad, Nijmegen 2005

Pikkemaat, G. Geschiedenis van Nijmegen, Nijmegen 1988

Thijssen, J. Nijmeegs katern jaargang 91-5, Nijmegen 1991

Hägermann, D. e.a. Het dagelijks leven in de Middeleeuwen, Baarn 2001

Het profielwerkstuk is gemaakt door: Rheden/Arnhem, maart 2007.

Wessel Pieper en Maarten Tolsma
Spaart: Duiten ( in het bijzonder Gelderland) en wereld munten in het bijzonder Sri Lanka en Zwitserland

Terug naar “Munten algemeen”